D.F. Wallace ‘Alles is groen’

Ze zegt dat het haar niet kan schelen of je me gelooft of niet, het is toch de waarheid, geloof maar zelf wat je wilt. Het is dus zeker dat ze liegt. Als het de waarheid is, dan gaat ze uit d’r bol om ervoor te zorgen dat je haar gelooft. Ik ben dus wel zeker.

Ze steekt op en kijkt van me weg, met haar opgestoken sigaret, door een nat raam en ik voel niet aan wat ik zeggen moet.

Ik zeg Mayfly ik kan niet voelen wat te zeggen of te doen of je nog te geloven. Maar er is iets wat ik weet. Ik weet dat ik ouder ben en jij niet. En ik geef je alles wat ik te geven heb, met mijn handen en mijn hart, allebei. Alles dat ik in me heb, heb ik aan jou gegeeft. Ik heb alles onder controle en werk braaf elke dag. Jij bent voor mij de reden dat ik doe wat ik doe. Ik heb geprobeerd om je een thuis te geven, waar je in wonen kunt, en om er iets moois van te maken.

Ik steek zelf op en gooi de lucifer in de gootsteen bij andere lucifers en borden en een sponsje en meer van dat soort dingen.

Ik zeg Mayfly, mijn hart is voor jou al de halve wereld afgereisd, maar ik ben achtenveertig jaar oud. Het is tijd geworden dat ik me niet meer laat voortdrijven. Ik moet de tijd die mij nog rest gebruiken om alles in orde te brengen. Ik moet proberen te voelen hoezeer ik dat nodig heb. Ik heb noden die zelf jij niet meer kunt zien, omdat zoveel van je eigen noden in de weg zitten.

Ze zegt niets en ik kijk naar haar raam en ik kan voelen dat ze weet dat ik ervan weet, en ze gaat anders zitten op de ligbank. Ze trekt haar benen onder zich op, in een shortje.

Ik zeg het maakt buy generic celexa echt niet uit wat ik gezien heb of denk dat ik gezien heb. Daar gaat het niet meer over. Ik weet dat ik ouder ben, en jij niet. Maar nu heb ik het gevoel dat alles van mij in jou gaat en er niets van jou terugkomt.

D’r haar staat omhoog met een baret en pins en haar kin ligt in haar hand, het is vroeg, zij ziet eruit alsof ze wegdroomt bij het zuivere licht door het natte raam boven mijn ligbank.

Alles is groen, zegt ze. Kijk, hoe groen het allemaal is, Mitch. Hoe kun je zeggen wat je zegt dat je voelt als alles buiten zo groen is als het is.

De raam boven de gootsteen van mijn kitchenette is schoongewassen van de zware regen gisterenavond en het is een ochtend met een zon, het is nog vroeg en buiten is het één groene rommelhoop. De bomen zijn groen en wat gras voorbij de verkeersdrempel is groen en afgeknipt. Maar alles is niet groen. De andere woonwagens zijn niet groen en mijn kaarttafel met putjes in lijnen en blikjes en peuken zwemmend in de asbak is niet groen, of mijn truck, of de gravel op de oprijlaan, of het grote speelgoedstuur dat op zijn kant ligt onder de wasdraad zonder was aan, naast de volgende wagen, bij die gast met die kinderen.

Alles is groen, dat zegt ze. Ze fluistert het en het gefluister is niet meer voor mij bedoeld en ik weet het.

Ik trek aan mijn sigaret en laat de ochtend achter mij met is waarlijks is mijn mond. Ik keer mij naar haar toe, daar in het licht, op mijn ligbank.

Ze kijkt naar buiten, van waar ze zit, en ik kijk haar aan, en er is iets in mij dat niet dichterbij kan komen, door dat kijken. Mayfly heeft een lichaam. En zij is mijn ochtend. Noem haar naam.